De vrouw als oudste, diaken, predikant of voorganger?

Het fundament van ons geloof is de bijbel. Deze moeten wij dan ook erkennen als de enige en volledige waarheid. Het is niet aan ons om iets aan de Bijbel toe te voegen of af te doen.

2 Gij zult aan wat ik u gebied, niet toedoen en daarvan niet afdoen, opdat gij de geboden van de HERE, uw God, onderhoudt, die ik u opleg. (Deuteronomium 4:2)

Wanneer wij de bijbel niet erkennen in deze hoedanigheid en buiten-bijbelse boekwerken gebruiken om zaken te bewijzen of wijzigingen aan te brengen, voldoen we niet aan Gods opdracht. Het vertalen of interpreteren naar de huidige tijdsgeest of maatschappij is dan ook zeer gevaarlijk.

Eenheid binnen de gemeente
In de bijbel worden wij gewaarschuwd om de eenheid in de gemeente te bewaren. In 1 Korintiërs 1 vers 10 lezen we dan ook,

10 Doch ik vermaan u, broeders, bij de naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen.

Hoe kunnen wij deze eenheid bewaren? Het belangrijkste in deze is, dat wij één uitgangspunt hebben namelijk Gods woord. Dat is de basis voor dialoog. Gods woord laat namelijk geen ruimte voor tweestrijd binnen de gemeente. Het is de mens zelf die ruimte claimt !

Het ambt
In de huidige maatschappij staat het individu centraal, het draait voornamelijk om de ‘ik-persoon’. Wij als christenen hebben hier ook mee te maken, we leven in en met de wereld. Wij worden dan ook als gelovigen beïnvloed in ons geloofsleven en zetten de ‘ik-persoon’ steeds meer centraal en Gods wil en woord op een tweede plek. We zien dan ook binnen bijna alle kerkelijke stromingen dat er discussies ontstaan over allerlei zaken, waaronder vrouwelijke oudsten of voorgangers.

Wanneer we het ambt willen bekijken moeten we eerst vaststellen hoe we de relatie man en vrouw moeten zien. Hierover is de bijbel heel duidelijk, zoals we bijv. lezen in Genesis 2 vers 18-25

18 En de HERE God zeide: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past. 19 En de HERE God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten. 20 En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste. 21 Toen deed de HERE God een diepe slaap op de mens vallen; en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn ribben en sloot haar plaats toe met vlees. 22 En de HERE God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens. 23 Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal „mannin” heten, omdat zij uit de man genomen is. 24 Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn. 25 En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkander niet.

We lezen hier dat God het niet goed vond dat de mens (man) alleen was en hem een hulp maakte die bij Adam past. God formeerde uit de mens (man) de vrouw en bracht haar bij de mens, de mens (man) erkende de vrouw vervolgens als zijne en noemde haar mannin, omdat ze uit de man is genomen. En daarom zal de man zijn vrouw aanhangen en ze zullen tot één vlees zijn.

Wat kunnen we hier nu uit concluderen? De man kon prima zijn taak volbrengen d.w.z. het benoemen van alle dieren. Was de vrouw dan wel noodzakelijk? Zeker wel, want in Genesis 1:28 lezen we het “grotere” doel van de man & vrouw, nl.;

 28 En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.

De man & vrouw krijgen héél concreet samen de opdracht om de aarde te vervullen (voortplanten) en haar te onderwerpen en te heersen over alle dieren op de aarde. Wij krijgen dus als man & vrouw de taak om te heersen over de aarde en alles wat erop leeft.

Wanneer we ons realiseren dat God voor de man & vrouw gezamenlijk een opdracht heeft en ook beiden erkend worden in hun eigen taak zijn de onderstaande teksten ook helemaal niet lastig, nl.;

1 Timotheüs 2 vers 11 t/m 14
11 Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen; 12 ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn. 13 Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. 14 En niet Adam werd misleid, maar de vrouw; zij overtrad Gods gebod.

1 Timotheüs 3  vers 1 t/m 5
1 Het is een waar woord: als iemand opziener wil worden, is dat een eerzaam streven. 2 Een opziener moet onberispelijk zijn. Hij kan slechts de man van één vrouw zijn en hij moet sober, bezonnen, gematigd, gastvrij en een goede leraar zijn. 3 Hij mag niet te veel drinken of driftig zijn, maar hij moet vredelievend en vriendelijk zijn, en niet geldzuchtig. 4 Hij moet zijn huisgezin go,ed leiden en op een waardige manier gezag over zijn kinderen uitoefenen. 5 Als iemand geen leiding kan geven aan zijn huisgezin, hoe zou hij dan voor de gemeente van God kunnen zorgen?

Titus 1:5-9
5 Ik heb je op Kreta achtergelaten om, volgens mijn richtlijnen, de resterende zaken te regelen en in elke stad oudsten aan te stellen: 6 onberispelijke mannen, die maar één vrouw hebben, en gelovige kinderen die niet kunnen worden beschuldigd van schandelijk gedrag en ongehoorzaamheid. 7 Een opziener moet als beheerder van Gods huis onberispelijk zijn: hij mag niet eigenzinnig optreden, niet driftig zijn, niet te veel drinken, niet gewelddadig zijn en niet hebzuchtig; 8 hij moet juist gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, rechtvaardig, toegewijd en beheerst. 9 En hij moet zich houden aan de betrouwbare boodschap die in overeenstemming is met de leer, zodat hij in staat is om anderen met heilzaam onderricht te bemoedigen en dwarsliggers terecht te wijzen.

We hebben hier gelezen dat de vrouw zich gehoorzaam en bescheiden moet laten onderwijzen (1 Tim 2:11).  Wat betekent dit nu? Vaak wordt dit als negatief uitgelegd, de vrouw heeft geen eigen mening, mag niks en moet van alles. Dit is echter niet waar! Wat we moeten verstaan is dat de vrouw luistert en zich gedraagt binnen de dienst, maar dat is niet anders dan voor een ieder ander! We moeten wel concluderen dat op basis van de teksten het niet de bedoeling is dat de vrouw over de man gezag heeft of hem onderwijst. Nu wordt er vaak geopperd dat de teksten in Titus en Timotheüs uitsluitend over de gemeente aldaar gaat. Echter lezen we in Efeziers 5:21-28;

Efeziërs 5:21-28
21 Aanvaard elkaars gezag uit eerbied voor Christus. 22 Vrouwen, erken het gezag van uw man als dat van de Heer, 23 want een man is het hoofd van zijn vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk, het lichaam dat hij gered heeft. 24 En zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen. 25 Mannen, heb uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft prijsgegeven 26 om haar te heiligen, haar te reinigen met water en woorden 27 en om haar in al haar luister bij zich te nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver. 28 Zo moeten mannen hun vrouw liefhebben, als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief.

Het is in deze heel legitiem om de parallel te trekken tussen man & vrouw en Christus & de gemeente. Het ontkennen van de eerder genoemde relatie tussen man & vrouw is direct de ontkenning van de relatie van Christus & de gemeente.

We moeten dan ook op basis van de voorgaande teksten de conclusie trekken dat man & vrouw niet twee ‘zelfstandige’ eenheden zijn. Er is duidelijk sprake van een scheppingsorde en de herkomst van de vrouw ligt in de man. En de man moet niet vergeten dat de vrouw is geschapen omdat de man alleen was (zocht een helper) en ook de vrouw nodig had voor de scheppingsopdracht.

Positie van de vrouw
Wanneer we nu kijken naar het voorgaande, kunnen we ons afvragen of de vrouw nog wel ruimte heeft om dienstbaar te zijn binnen de gemeente. In de begin periode van de gemeente in Filipi waren het namelijk de vrouwen dit tot geloof kwamen en door hun de mannen. Het was dan ook niet meer dan logisch dat de vrouwen in de begindagen Paulus (en andere mannen) hielp(en). We zien dit dan ook bevestigd in een vermaning die Paulus doet aan twee vrouwen die niet eensgezind meer zijn;

Filipenzen 4:2-3
2 Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik, eensgezind te zijn in de Here. 3 Ja, ik vraag ook u, mijn trouwe metgezel: wees haar behulpzaam. Want zij hebben tezamen met mij in de prediking van het evangelie gestreden, naast Clemens en mijn overige medearbeiders, wier namen staan in het boek des levens.

Op basis van deze tekst kunnen we de conclusie trekken dat twee vrouwen Paulus ondersteunden in zijn prediking. Wij geloven op basis van 1 Tim 2:11-12 dat ze zelf niet predikten aan mannen. Het is waarschijnlijker dat ze Paulus hielpen of zelf aan vrouwen en kinderen onderwijs gaven. Dit soort situaties worden ook bevestigd in Titus 2:3-4

3 Oude vrouwen eveneens, priesterlijk in haar optreden, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, in het goede onderrichtende, 4 zodat zij de jonge vrouwen opwekken man en kinderen lief te hebben, 5 bezadigd, kuis, huishoudelijk, goed en aan haar man onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. 

Hier worden (oude) vrouwen erop gewezen dat ze jonge vrouwen moeten onderrichten. Hier ligt dus duidelijk een onderwijzende taak van vrouwen aan andere vrouwen.

We kunnen dus de conclusie trekken dat een vrouw binnen de gemeente wel een belangrijke taak heeft. Het enige wat beperkt wordt, is het onderwijzen en leidinggeven aan de man.

Helaas worden tegenwoordig de eerder genoemde teksten uit Timotheüs en Titus gezien als het “monddood” maken van de vrouw. Deze gedachte is compleet incorrect zoals we hebben gelezen m.b.t. het onderwijzen van andere vrouwen en kinderen.

We kunnen dan ook samenvatten dat de vrouw ALLES mag binnen de gemeente, mits ze niet onderwijst of leiding geeft aan (volwassen) mannen. Hierbij kun je dus denken aan het onderwijzen en begeleiden van vrouwen, ondersteunen van mannen in hun taak van evangelisatie, werken binnen het kinder- en jeugdwerk, pastoraat, muziekteam, etc.

Conclusie
Wanneer we praten over de vrouw in het ambt, praten we meestal over iemand die zelfstandig de taak uitvoert op eigen gezag. Wanneer we dit bekijken in het daglicht van alle eerder genoemde bijbelse teksten, is het duidelijk dat de vrouw zich op dat moment NIET plaatst onder het gezag van haar man en tevens de oproep van Paulus negeert om niet leiding/onderwijs te geven aan de man.

In het verlengde hiervan wordt ook duidelijk aangegeven dat de man zijn gezin goed moet leiden. Tevens moeten we het begrip van goed leiding geven aan het gezin ook streng na volgen en dit niet te makkelijk afdoen.

Wij geloven dan ook dat God van ons verlangt dat wij binnen het ambt kiezen voor mannelijke oudsten die volledig ondersteund/gesteund worden door hun vrouw.

Meer Bijbelstudies en visies op de kerk?
Kijk voor meer studiemateriaal eens op www.back2god.nl